Voor het Ministerie van LVVN voerde DRIFT samen met &Flux een tussentijdse evaluatie van het Convenant Energietransitie Glastuinbouw (2022-2030) uit, samen met een vijfjaarlijkse evaluatie van de subsidieregelingen van de Energie-efficiënte Glastuinbouw (EG) en Marktintroductie Energie-Innovaties (MEI). We voerden een participatieve evaluatie uit om de huidige, disruptieve transitiedynamiek te duiden en er richting op te geven. Om terug te kijken op zo’n manier dat het nieuw, gezamenlijk handelingsperspectief en handelingsvermogen ontwikkelt: hoe hebben we het gedaan, en hoe kunnen we de goede dingen (blijven) doen?
De Nederlandse glastuinbouw is wereldwijd toonaangevend in hoogtechnologische productie. Tegelijkertijd leunt deze kracht sterk op fossiel gas voor warmte, elektriciteit en CO₂. Dat maakt de sector kwetsbaar en plaatst haar midden in de energietransitie. Met het Convenant Energietransitie Glastuinbouw (2022–2030) hebben de sector en de Rijksoverheid een duidelijke ambitie uitgesproken: een klimaatneutrale én economisch rendabele glastuinbouw in 2040. De tussentijdse doelstelling voor 2030 – een restemissie van 4,3 Mton CO₂ – blijkt echter niet vanzelfsprekend haalbaar.
De ambitie staat nog overeind, maar de praktijk laat zien dat de sector tegen harde systeembarrières aanloopt
Systeemperspectief: een transitie in een complexe fase
De energietransitie in de glastuinbouw bevindt zich in een kantelpunt van destabilisatie en chaos. Illustratief is de rol van de warmte-krachtkoppeling (WKK) die zeer efficiënt aardgas omzet en in de tussenfase bijdraagt aan het beperken van netcongestie, maar tegelijk de afhankelijkheid van aardgas vergroot. Er is daarnaast sprake van een verwevenheid van structurele barrières waaronder de beperkte beschikbaarheid nu van alternatieve duurzame warmte, CO₂-bemesting en netcongestie die elektrificatie in veel regio’s tijdelijk beperkt. Ook zorgt de verandering in CO₂-beprijzing en de voorgenomen opt-in in het Europese CO₂-emissie handelssysteem ETS2 voor deze sector voor onrust.
Convenant: fundamentele herijking nodig
Het convenant heeft samenwerking tussen overheid en sector versterkt. Er is gedeelde ambitie, inhoudelijke expertise en bereidheid om samen stappen te zetten. Verschillende convenants artikelen en bijbehorende acties bieden goede bouwstenen vooruit, van Kas Als Energiebron, de Rijksinzet op duurzame energie tot de gebiedsaanpak en modernisering areaal.
Toch is het convenant aan fundamentele herijking toe. Het tussendoel voor het restemissiedoel in 2030 is niet op koers, artikel 2 over de CO₂-beprijzing is inmiddels opengebroken, de bouwstenen voor duurzame alternatieven van elektriciteit, warmte en CO₂-bemesting zijn lastig te realiseren door onder andere netcongestie, lange ontwikkeltijden en beperkte alternatieven voor CO₂-bemesting.
De convenantspartijen tonen samenwerking en actie om dit te doorbreken, maar deze samenwerking staat tegelijk onder druk. Onduidelijkheid over rollen, verantwoordelijkheden en verwachtingen belemmert de voortgang. Terwijl CO₂-reductieverplichtingen bindend zijn voor de sector, zijn inspanningen vanuit de overheid minder afdwingbaar. Dit zorgt voor een gevoel van ongelijkwaardigheid.
Het succes van het convenant zit in de samenwerking, maar voor echte voortgang is een duidelijke koers en gedeelde visie noodzakelijk
Aanbevelingen voor het convenant
De Nederlandse glastuinbouw staat op een cruciaal punt. De koers richting 2040 blijft relevant, maar vraagt om bijsturing, duidelijke keuzes en versterkte samenwerking. Hiervoor doen we verschillende aanbevelingen:
- Treed in overleg met elkaar als convenantspartijen: stoppen met het convenant kan, het gesprek gaat echter eerder over het doen van aanpassingen.
- Geef invulling aan het pad naar 2040: ontwikkel een visie op het maatschappelijk bestaansrecht van de sector op lange termijn, geef expliciet invulling aan wat de partijen beogen met economisch rendabel naast klimaatneutraliteit. Herijk vanuit daar het convenant, waarbij een realistisch scenario is dat wordt vastgehouden aan de ambitie in 2040, terwijl het tussendoel voor 2030 wordt aangepast aan de uitvoerbaarheid.
- Zet in op pluriforme transitiepaden die rekening houden met de disruptieve dynamiek van transities.
- Spreek van ‘collectieve bouwstenen’ in plaats van ‘randvoorwaarden’.
- Verken een hardheidsclausule.
- Versterk de lokale gebiedsvisies met landelijke regie.
- Maak de regie, verantwoordelijkheden en overlegstructuren expliciet.